Dakdeel

Laatste update: 28 juli 2017

Duurzaam renoveren

*

Het Polderhuis werd rond 1865 gebouwd door de timmerman Jan van Bemmel in wat toen Nieuweramstel heette. Om de kosten te drukken, gebruikte Van Bemmel geen spaander hout en geen brok steen meer dan nodig was. Maar het materiaal dát hij gebruikte was goed, bleek tijdens de eerste fasen van de renovatie van het Polderhuis, die tussen 2002 en 2006 plaatsvonden. Het is één van de redenen waarom dit huisje nog steeds overeind staat.

Toen ik in 2002 begon met de renovatie van het Polderhuis, kon ik er alleen maar van dromen dat die renovatie ook nog eens bijzonder duurzaam zou kunnen zijn. En dan niet alleen duurzaam in de tijd, maar ook duurzaam in termen van het effect van die renovatie op mijn wijde ecologische omgeving. ‘Dát zou vast weleens veel duurder zijn,’ dacht ik, met een tophypotheek en een enorme renovatie voor de boeg.

Maar dankzij een uitermate vruchtbaar contact met architect Martin Breidenbach uit Viersen, kan ik gewoon stellen dat de renovatie van het Polderhuis niet alleen mooi en succesvol is, maar dat die ook in hoge mate een duurzaam karakter heeft gekregen. Op deze pagina wil ik een aantal aspecten van die duurzaamheid belichten. Als inspiratiebron voor anderen.


1. Het dak: hergebruik, houtgebruik en warmte-isolatie met Isofloc

De ingewikkelde kap van het Polderhuis, met een knik aan de lange zijden (Masarde), en twee schuine vlakken aan de korte (wolfseinden), is in 2002 vrijwel helemaal vervangen. Alleen de verticale gevel aan de oostkant is nog origineel.

We hebben nog overwogen of het dak hersteld kon worden. Dat zou waarschijnlijk hetzelfde hebben gekost, en een container sloophout hebben gescheeld. En ondanks jarenlange lekkage was de basale constructie nog steeds redelijk.

Uiteindelijk heb ik daar niet voor gekozen, omdat het de gebruikswaarde van de zolder enorm zou hebben verminderd. De hanebalken zaten op 1 meter 80, en ik ben zelf 1.84m. Het zou bovendien een heel gedoe zijn om de zolder én goed te isoleren én goed vochtdoorlatend te houden.

Voor de renovatie van de kap ben ik in zee gegaan met een netwerk van Duitse vaklieden, onder de deskundige bouwleiding van architect Martin Breidenbach. Dat is één van mijn gelukkigste keuzes ooit geweest. Zonder deze club – die ook de rest van de renovatie deed– had ik nimmer zoveel lol gehad in dit langjarige project én was het lang niet zo goed geworden.

Dat bleek al bij de kap. Nederlandse aannemers, die ik om een offerte vroeg, gingen er allemaal voetstoots vanuit dat de mooi afgewerkte dakgoten aan het dak vastzaten, en dus bij sloop ook vervangen zouden moeten worden. Een dure grap, en zonde van het materiaal en het werk. Breidenbach en Zimmermeister Alfred Vinken gingen gewoon een dag goed kijken en meten, en kwamen tot een andere conclusie. Die dakgoten hingen aan de muur.

Dit koppel kwam ook met het idee om het dak helemaal op maat voor te fabriceren in de werkplaats in Viersen, en dan in delen naar Amsterdam te verschepen. Door die truuk kon mijn hele dak in een week vervangen worden, waar Nederlandse aannemers van zeker acht weken bouwplaatskosten uitgingen.

Het dak zelf is behalve de pannen volledig van herbruikbaar of hergebruikt materiaal. Tussen de houtconstructie zit 16 centimeter isolatie van Isofloc, vlokken van cellulose, afkomstig van restanten uit de drukwerkindustrie. Die isolatie is zo goed, dat een verwarming op zolder niet meer nodig is. Mijn vorige computer produceerde al voldoende warmte, om het ook in de winter op zolder te kunnen uithouden.

 De dakconstructie is dampdoorlatend: over de hele oppervlakte kan vocht van binnen naar buiten diffunderen.

 Het hout is volledig afkomstig uit Europa, of van hergebruikt hout: dennenhout voor de constructie, obs voor de eerste afdeklaag en populierenhout voor de binnenbekleding.


2. De binnenmuren: warmtemuren van leem voor klimaatbeheersing en vochtregulatie; warmte-isolatie met riet

Fact-sheet

Het Polderhuis is ooit extreem licht gebouwd, en was waarschijnlijk mede daarom ook niet gefundeerd. De enkele muren zijn halfsteens, aan elkaar gemetseld met kalkcement: heel dun dus. De muren staan bovendien vrijwel direct op het grondwater. Daardoor zuigen die muren continu water van beneden op, dat zeker anderhalve meter omhoogkruipt. Vocht is een groot probleem, niet alleen in dit huis, maar in vrijwel ieder huis. Mensen produceren zelf ook een heleboel vocht, dat op een of andere manier het huis weer uit moet.

Bij de renovatie was de afwerking aan de binnenkant daarom een cruciale kwestie: hoe zorg je voor een goede warmte-isolatie, zonder je vochtproblemen in het huis, en tegen de binnenkant van de buitenmuur te verergeren? En daarbovenop: hoe zorg je ervoor dat je niet enorm veel ruimte verliest door hele dikke lagen isolatie en een spouw, in een toch al kleine woning?

Warmte, vochtbeheersing en ruimte moesten daarom integraal worden aangepakt. In het Polderhuis is daarom een speciale oplossing gekozen. De verwarming zit in een lemen muur, en die verwarming zorgt er tegelijk voor dat er geen condensvorming kan plaatsvinden aan de binnenkant van de buitenmuur. Op die manier wordt voorkomen dat het houtwerk (m.n. de draagbalken) kan gaan rotten door vocht: op termijn van groot belang voor behoud van dit huis.

Deze wandverwarming met lemen muren heeft allerlei voordelen. Allereerst geeft het stralingswarmte. Normale radiatoren verspreiden de warmte door circulatie, door verwarming van de lucht, die zich vervolgens verplaatst. Stralingswarmte werkt anders: je warmt direct jezelf op. Dat is een heel ander soort warmte, vergelijkbaar met de warmte van een felle zon op een winterdag. De kamertemperatuur kan daarom een paar graden lager zijn dan normaal. In het Polderhuis is die standaard zo’n 18 graden.

Een bijkomend voordeel van warmtemuren is, dat je ketel het water maar heel weinig hoeft te verwarmen, tot zo’n 21 à 27 graden. Dat kost relatief veel minder energie, dan water verwarmen tot de 60 of 70 graden die naar radiatoren gaat. Lage temperatuursystemen als dit zijn daarom energiezuiniger. En dat blijkt ook in de praktijk: mijn gasrekening van voor de renovatie is hoger dan die daarna, terwijl mijn comfort enorm is toegenomen: in het stookseizoen 2008/2009 was het gasverbruik voor verwarming 950 m3, en dat ging na isolatie van de noordgevel en andere maatregelen verder omlaag naar circa 500 m3 in 2013-2015. Vanaf april 2015 heeft een Elga lucht-water-warmtepomp van Techneco de functie van de ketel goeddeels overgenomen. Daardoor is er in termen van energie nog maar een kwart nodig van het toch al lage gebruik met een HR-ketel. Lees verder in de speciale brochure over het energiesysteem van het Polderhuis

De isolatie van de muren is naar huidige maatstaven eigenlijk heel gering: er zit een laag van 2 cm riet in de muren. Veel te weinig voor huidige standaarden. Dat is bewust gedaan: hierdoor lekt een deel van de warmte weg naar de binnenkant van de buitenmuren, die op die manier boven het condenspunt worden gehouden. Daarmee kiezen we bewust voor een klein energieverlies, waarmee we niet alleen flinke ruimtewinst in het huis boeken, maar ook een hele goede oplossing hebben voor de vochtproblematiek. Hier hebben we dus duidelijk een afweging gemaakt op verschillende aspecten van duurzaamheid én bruikbaarheid: behoud van de constructie en de ruimte boven maximale energiebesparing. In een nieuwbouwhuis zou ik het helemaal anders doen.

Deze muuropbouw met leem en riet heeft nog een laatste grote voordeel: de hele muur is er compleet damp-open door. Leem trekt vocht aan, dat vervolgens via diffusie door het riet en de buitenmuur aan de buitenlucht wordt afgegeven. Hetzelfde geldt voor geurtjes. Het is één van de redenen dat ik ook geen afzuigkap in mijn keuken heb.

Deze benadering van warntetemperatie wordt ook gevolgd in het concept WarmBouwen. In dat concept wordt ook een opslag-bron voor warmte gekoppeld aan het systeem.

Het riet is organisch materiaal, en levert dus later geen afvalprobleem op. Het leem kan volledig worden hergebruikt: het is gewoon een soort gedroogde klei. Ook de ‘verf’ op de muren is van leem, aangevuld met titaniumdioxide en melkwei (Claytec). Stoffen die volstrekt onschadelijk zijn, en bij hergebruik gewoon door het leem kunnen worden gemengd.

Overigens meet ik de energieprestatie van mijn huis door. Dat gebeurt sinds oktober 2016 real-time, met de Iungo en de Netatmo. De Iungo registreert het energiegebruik van het huis, en specifiek van de warmtepomp en de doorstroomverwarmer voor het sanitair warm water. De Netatmo registreert temperatuur, RV en CO2 in huis, en de buitentemperatuur. Een Kamstrup Multical 302 warmtemeter meet sinds november 2016 de daadwerkelijk geleverde warmte door de warmtepomp.

Het Polderhuis werd tot april 2015 verwarmd met een cv-ketel op gas. Nadat de nog slecht geïsoleerde noordgevel was geïsoleerd door de komst van de nieuwbouw achter het Polderhuis, gebruikte ik in het stookseizoen 2013-2014 in totaal 485 m3 gas. Daarvan was circa 42 m3 warm-watervraag. In het stookseizoen 2014-2015 (een iets strengere winter) was het gasgebruik 533 m3. Voor de basale verwarming van het Polderhuis was dus ca 500 m3 nodig. (Ter vergelijking: een gemiddeld Nederlands huishouden gebruikt 1600 m3 gas op jaarbasis. Een vrijstaand huis als het Polderhuis wordt geacht nog meer te gebruiken.)

Vanaf april 2015 functioneert de Elga warmtepomp, die warmte uit de buitenlucht haalt m.b.v. electriciteit. In plaats van 500 m3 gas, gebruikte ik 1219 resp. 1338 kWh electriciteit per stookseizoen, en aanvullend 15 resp. 35 m3 gas voor verwarming.

Sinds juli 2017 is het Polderhuis gasloos. De cv-ketel is de deur uit. Een pelletkacheltje in de woonkamer fungeert als sporadische backup voor de Elga-warmtepomp.

Lees ook de speciale brochure over het energiesysteem van het Polderhuis.


3. De plafonds: vlas voor geluidsisolatie

In de plafonds zit 2 cm vlas verwerkt, dat het geluid tussen de verdiepingen dempt. Vlas is een organisch materiaal, dat volledig biologisch afbreekbaar is. 


4. De ramen: dubbelglas Vrøgum voorzetramen van dennenhout

Het Polderhuis heeft van oudsher schuiframen van enkelglas. Ik heb het er 16 jaar mee gedaan, maar koud en tochtig was het wel. Omdat het Polderhuis een gemeentemonument is, kun je die ramen niet zomaar vervangen door moderne exemplaren. En dat wilde ik ook niet, want het ziet er zo prachtig uit van de buitenkant.

Dubbelglas in die ramen was geen optie. Daarvoor waren ze te dun, en bovendien zou je nog steeds een slechte afdichting hebben tussen de ramen en de sponningen. En Monumentenzorg accepteert het ook niet, omdat je het verschil tussen enkel en dubbelglas gewoon heel erg ziet.

Het probleem werd opgelost door een compleet nieuw kozijn met ramen van Verbuntssicherheitsglas (inbraakwerend dubbelglas) aan de binnenkant tegen de oude kozijnen aan te monteren. Van de buitenkant zie je daar weinig van, maar je vervangt in feite de isolerende functie van de oude ramen. Die dienen nu alleen nog als spatlappen tegen de regen. Dat is wel nodig ook, want de Vrøgum-vensters zijn ‘verkeerdom’ gemonteerd: de buitenkant is naar de binnenkant gekeerd. Daardoor loopt zonder schuiframen het regenwater dat van buiten tegen de nieuwe vensters spat, naar binnen, over mijn lemen muren.

De vensters zijn afkomstig van een sympathieke venster-fabrikant in Denemarken: Vrøgum, en zijn gemaakt van grenen uit duurzaam beheerde Skandinavische productiebossen.


5. Zonneboiler

Sinds 2015 liggen er 30 heatpipes op de noordkant van het dak van het Polderhuis, die tussen april en september een 100 liter boilervat op een temperatuur van tussen de 35 en 70?C houden. Die noordkant is tamelijk suboptimaal, maar de andere (zicht)kant was onmogelijk vanwege het monumentale karakter van het Polderhuis.

De energetische besparing van deze zonneboiler is bij mijn huidige -zeer lage- warmwater-gebruik vrijwel nihil. Het water wordt sinds april 2017 naverwarmd met een doorstroomverwarmer op krachtstroom van Clage, en ook daar hangt een metertje aan. Over een jaar maak ik definitief de balans op, maar voorlopig houd ik het erop dat als je zuinig bent in warm water gebruik een zonneboiler (of voor mijn part een warmtepomp die een boiler opwarmt) geen enkele zin heeft, zeker niet op het noorden :-)


6. De vloer: Europees eikenhout en Isofloc / Termoparels

De fundering van het Polderhuis was een spectaculaire operatie, en komt de duurzaamheid van het pand zeker ten goede. Maar qua materialen valt er niet veel bijzonders te melden: grout en beton. De vloer die er bovenop is gelegd is wél weer aardig: een eikenhoutenvloer van Europees eiken, met daaronder tot 2011 een laag van 12 cm Isofloc, hetzelfde gerecyclede isolatiespul als ook in het dak zit. In 2011 bleek echter ook het nadeel van Isofloc: door een paar overstromingen was het papier maché geworden dat met geen mogelijkheid meer droog te krijgen was én isolerend. Toch niet zo duurzaam dus. In 2015 zijn daarom HR++ Termoparels van Koston onder de vloer aangebracht.


7. Compost-toilet en composteringsinstallatie

Sinds eind 2014 is één van de twee toiletten in het Polderhuis een waterloos compost-toilet. Al lang geleden bedacht door Sietz Leeflang van de Twaalf Ambachten, en door hem getooid met de prachtige naam Nonolet (non olet = stinkt niet). De poep wordt niet doorgespoeld maar opgeslagen tussen laagjes papier. De urine wordt nog wél afgevoerd naar het riool.

Het principe van het Nonolet berust op het primair scheiden van mest en urine, en het aeroob (zuurstofrijk) houden van de mest. Daardoor krijgen stinkende processen van bacteriën geen kans. Een klein, bijna geruisloos computerventilatortje zuigt met een klein beetje stroom via een speciaal ventilatiekanaal de laatste geurtjes naar buiten.

De mest wordt eens per maand overgeslagen in een van de drie 'mestsilo's' in de tuin. Dat zijn pvc-pijpen van 50 cm doorsnede en 60 cm hoogte. Een klein laagje aarde of compost dekt de lading af. Na anderhalf jaar composteren is de mest klaar voor gebruik als meststof in de tuin, of als ruilmiddel tegen kaas en melk van boer Boy Griffioen. Op deze manier houd je belangrijke en schaarser wordende mineralen als fosfaat in de voedselkringloop, en je bespaart tientallen liters schoon drinkwater per dag.

En ja, het werkt, althans: na een paar rondes experimenteren in mijn geval. De truuk is om de scheiding tussen mest en urine zo perfect mogelijk te laten zijn. Een op maat gezaagd duivenrooster onderin deed wonderen.

En ja, het is gek. We zijn zó gewend om zo snel mogelijk definitief visueel afscheid te nemen van onze ontlasting, dat we dit haast per definitie 'vies' vinden. Meer high tech systemen kunnen dat ongemak misschien wegnemen, maar ik vind herwaardering van onze poep wel op zijn plaats.

 

Naast dit compost-toilet hangt er sinds 2014 in de steeg naast het Polderhuis een Jora JK270 (hot-)composter. Een ronddraaiende trommel met twee geïsoleerde vaten, waarin gft-afval (niet mijn poep!) van mij en drie buren (waaronder een cateringbedrijf) in circa acht weken wordt omgezet naar compost. Het toevoegen van koolstof in de vorm van houtpellets is essentieel. Door de isolatie en de pellets worden zeer hoge temperaturen bereikt, tot wel 60˚C.

Een mooi systeem voor de stad, dat geurloos werkt, maar pas na vervanging van het isolatiemateriaal in 2016 de compost oplevert die wordt beloofd. Het tussenproduct rijpt na in een gewoon compostvat in de tuin, waar een kolonie wormen zich eraan tegoed doet. De buren halen vervolgens weer compost op voor hun (dak- of gevel)tuin.


8. Wat er níet zo duurzaam is: zinken dakgoten, koperen leidingenwerk etc.

Natuurlijk zijn er ook tal van zaken in de renovatie van het Polderhuis, die ik nog beter had kunnen doen. De zinken dakgoten, hoe goed gemaakt ook, zorgen voor een permanent stroompje van vervuiling, doordat het zink langzaam oplost, en in het riool terecht komt. Er zijn vast betere technieken, maar het dak moest af in 2002!

Ook voor het leidingwerk heb ik gekozen voor klassiek koper, en niet voor de nieuwe technieken met flexibele plastic buizen. Ik weet niet wat uiteindelijk milieutechnisch het beste is, maar ik vond het gewoon te leuk om zelf te kunnen loodgieteren.

 Ook de gebruikte verf aan de buitenzijde is niet speciaal om zijn milieukwaliteiten uitgekozen. Hier heb ik voor zekerheid gekozen, en voor verven die ik zelf goed kon verwerken.


9. En wat kost dat nou, duurzaam renoveren?

Een fijne Hollandse vraag. In het algemeen ben je qua directe kosten duurder uit, is mijn ervaring. Het is zot, maar waar: de meest eenvoudige materialen als leem en vlas, zijn duurder dan standaard stucwerk en glaswol-isolatie. Met een goede, betrokken aannemer kun je wellicht op directe kosten besparen, omdat ze slimmer omgaan met materiaalgebruik, maar grosso modo is het gewoon duurder dan 'standaard'.

Komt bij dat sommige lieden (en met name installateurs) het feit dat je bereid bent om méér criteria te hanteren dan alleen kostprijs en terugverdientijd, misbruiken om torenhoge tarieven te rekenen, in de verwachting dat je toch al niet meer prijsbewust bent. En dat wordt nog erger als je laat merken dat er ergens subsidie in de lucht hangt.

Goed advies wordt trouwens ook duur betaald, maar is zeker de moeite waard. Zeker met nieuwe dingen moet je óf zelf heel goed onderzoek doen, óf in een onafhankelijke adviseur investeren.

In de speciale brochure over het energie-systeem van het Polderhuis worden de gemaakte kosten voor dat systeem gespecificeerd. Conclusie daar: ja, het is duurder, maar het is ook niet overdreven veel duurder. Zeker met de goede adviseurs, je gezonde verstand, en meerdere offertes.

Overschat ook de terugverdientijd van energiebesparende maatregelen niet. Isolatie is vrijwel altijd snel rendabel, maar warmtepompen en zonnecollectoren verdien je alleen snel terug als je energiebehoefte op voorhand groot is. Als je toch al een trui aantrekt, de temperatuur lager zet dan standaard, kort doucht, en niet elke dag je kleren wast verdien je die investeringen pas terug na tien of zelfs twintig jaar.

Daar staat echter veel tegenover: een zeer hoge kwaliteit van het woonklimaat, een lage CO2-voetafdruk, een lagere energierekening, een klassiek monument met het comfort van vandaag, en een bouwproces dat vanwege het type aannemer ook een stuk prettiger is. En op de lange termijn: veel minder afval.